Ik wil rust

Een kijkje in het dagboek van een patiënt in een crisisopname.

Cassedey Staal

Samen met mijn moeder zit ik in de wachtkamer. Met mijn vinger teken ik rondjes over mijn knie. Steeds meer mensen druppelen de wachtkamer binnen. “Ben je zenuwachtig?”, vraagt mama mij. Ik haal mijn schouders op. Ik weet niet wat ik moet verwachten. Mijn hoofd zit te vol, wat grappig is, want eigenlijk is mijn hoofd helemaal leeg. “Mevrouw Staal?” Ik sta op en volg de huisarts naar haar kantoor. Ik geef de huisarts een hand en neem plaats op één van de stoelen. Mijn moeder komt naast mij zitten en pakt mijn hand. “Het gaat niet goed hè?”

Jos Gelmers, voorwacht
in de crisisdienst
van GGZ Drenthe

“Mijn dienst begint om 21:30, dan heb ik er een werkdag van 9:00 uur tot 17:00 uur opzitten als Spv’er (Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundige). Dan ga ik avondeten, een beetje tv kijken en rond 23:00 uur naar bed. Om 1:00 uur word ik uit bed gebeld door de triage verpleegkundige “het gaat om die en die patiënt in deze en deze toestand”. Dan ga ik erheen om de situatie te bekijken. Hoe ik een patiënt benader? Niet anders als anders. Ik stel mij voor, vertel wat ik kom doen en vraag hoe het met de patiënt gaat. Na dit gesprek deel ik mijn bevindingen met de achterwacht, een psychiater, en die bepaald wat het vervolgtraject zal zijn. Hij heeft uiteindelijk de verantwoording. Meestal gaan we over tot een opname en zoeken we contact met instellingen in Drenthe. Hier is niet altijd plek, dus het zou zomaar kunnen dat je naar Gouda moet. Ook kan het zijn dat de patiënt niet openstaat voor een opname. In dat geval spreken we van een “gedwongen opname” en moeten wij de burgemeester opbellen om te vragen wat hij van de situatie vindt. Waarom de burgemeester? Hij is verantwoordelijk voor de veiligheid van zijn burgers. Dit gaat dan niet alleen om de patiënt, maar ook de omgeving die in gevaar verkeert.”

“In de herziende versie van de NHG Standaard Depressie wordt er onderscheid gemaakt tussen drie vormen van depressiviteit: depressieve klachten, (lichte tot matige) depressie, en ernstige depressie. Bij depressieve klachten wordt er niet voldaan aan de DSM-5-criteria voor een depressie, maar is er sprake van een sombere stemming waar de patiënt hinder van ondervindt.

De term depressie houdt in: een sombere stemming en/of een duidelijke verhindering van interesse of plezier in bijna alle activiteiten, bijna dagelijks en gedurende het grootste deel van de dag, gedurende ten minste twee weken.”

Ik schud nee en de tranen stromen over mijn wangen. “Ik weet het niet meer.” Ook mama begint nu te huilen, wat mij ook zeer doet. “Beschadig je jezelf?” Ik knik ja en rol mijn mouw omhoog. De huisarts bekijkt mijn arm, draait zich om naar haar computer en begint te typen. “Ik ga je doorverwijzen naar een psychiater en ik probeer zo snel mogelijk een afspraak voor je te regelen.”

“U mag daar plaatsnemen”, zegt de vrouw achter de balie tegen ons. Mijn moeder en ik gaan zitten op de gekleurde stoelen die in een cirkel om een tafel staan. Mijn moeder begroet iedereen die er al zit, ik kijk niemand aan. Geen behoefte aan. Ik wil gewoon weer naar bed, weer slapen. Ik doe niks maar ik ben uitgeput. Mama pakt mijn hand vast en vraagt of ik zenuwachtig ben. “Nee. Gewoon moe.” Ik kijk naar de tijdschriften die verspreid over de tafel voor ons liggen. Alles ligt door elkaar en dat prikkelt me. Dan komt er een man naar ons toe. “Mevrouw Staal?”

We nemen plaats op de stoelen aan het bureau. Tegenover ons zitten twee mannen; één is de psychiater en de ander schrijft alles wat we zeggen op. “Je voelt je niet zo goed hè?” Ik huil. Alweer. Ik schud mijn hoofd terwijl mijn moeder met haar hand over mijn rug wrijft. “We hebben hier medicatie voor je… Hier word je wat rustiger van in je hoofd. Dit medicijn heeft echter wel wat vervelende bijwerkingen. De gedachten aan suïcide kunnen toenemen en…” “Dat wil ik niet,” protesteert mijn moeder, “dat risico wil ik niet nemen.” “Het gebeurt bij één op de 15 mensen dat er ook daadwerkelijk meer aan suïcide wordt gedacht, het hoeft niet te gebeuren.” Ik zie de twijfel in de ogen van mijn moeder. De psychiater keert zich tot mij. “Zou je deze willen proberen?” Rust in mijn hoofd. Dat wil ik. “Zijn er geen alternatieven?”, zegt mijn moeder, nog steeds niet gerustgesteld door het idee van de medicatie. “Nou ja, mocht de situatie dermate verergeren, dan kunnen we een opname overwegen.” Een opname? Een ziekenhuisopname? Verplicht aan een infuus liggen zodat ik de medicatie toch binnenkrijg? Weg rust. Mijn gedachten slaan weer toe.

We rijden naar de apotheek om de medicatie op te halen. Ik gil. “Ik wil gewoon rust, mama!” De tranen stromen over mijn wangen en ik sla om mij heen. “Dat krijg je ook van deze medicatie.” “Ik word echt gek. Wanneer komt er nou eens hulp?” Mijn moeder wrijft langzaam met haar hand over mijn knie terwijl ik mijn hoofd verslagen naar achteren gooi. “Je neemt straks een pil in en dan ga je lekker liggen. Ik roep je als we gaan eten.” Terwijl mijn moeder de medicatie ophaalt, kijk ik uit het raam naar buiten. Ik zie mensen fietsen langs het grasveld en ik vraag mij af hoe ze zich er toe kunnen zetten. De tranen blijven stromen, maar ik huil niet meer. Ik wil gewoon slapen. Ik wil niet meer denken. Ik wil dat alles ophoudt.

“We gaan eten!” Roept mijn zus vanaf beneden. Mijn ogen gaan met een ruk open. Ik zie het plafond dat door mijn nachtlampje wordt verlicht en ik voel me een beetje duizelig. Langzaam sta ik op. Ik hoor het geritsel van de wind door de bomen buiten en ik word er verdrietig van. Het moet ophouden. Ik loop snel naar beneden waar mijn moeder, zus en broertje aan tafel zitten. Het blijft stil. Ik ga zitten en kijk naar de pan met krieltjes. “Ik heb geen honger.” “Je moet wel even eten.” Naast de pan met krieltjes staat een bak sla. Ik pak de opscheplepel en laat de slablaadjes op mijn bord vallen. “Hoe voel je je?” Ik schud nee. Mijn zus kijkt bezorgd naar mijn moeder die naar mij blijft kijken. Mijn broertje kijkt stilletjes naar zijn bord gevuld met krieltjes en veel te veel jus. Ik hoor het gekras van het bestek op de borden en ik wil gillen, heel hard gillen. Ik kan er niet tegen. Gefrustreerd leg ik mijn bestek neer en ik grijp naar m’n haar. M’n zus wrijft langzaam over mijn rug heen terwijl mijn moeder verslagen toekijkt naar hoe ik weer geen hap neem. Er wordt niks gezegd en ik weet dat het door mij komt. Dit is mijn schuld. Dat besef maakt me nog verdrietiger en ook boos. Boos dat ik niet kan zijn wie ik ben. Boos dat mijn gedachten zo met mij aan de haal gaan. Dan wordt het zwart. Ik stapel alle borden op en loop naar de afwasmachine toe die nog gevuld is met schone vaat. Ik zet de borden neer, grijp naar een mes in de bestekbak en begin te snijden. Het maakt niet uit waar, als het maar pijn doet. In de verte hoor ik mijn broertje gillen en ik zie mijn zus die naar hem toe sprint. Ze tilt hem op en neemt hem mee naar boven terwijl mijn moeder het mes uit mijn handen trekt en me op de bank neerzet. “BEL DE CRISISDIENST”, hoor ik haar gillen. Ik kijk naar mijn arm, word licht in mijn hoofd en langzaam zak ik weg.

“Dag Cassedey. Hoe voel je je nu?” “Ik moet een mes.” “Nee hoor, dat moet je niet. Cassedey, weet jij wat een opname is?” “Ik moet niet naar het ziekenhuis.” “Dat hoeft ook niet. Je bent nu bij de GGZ in Hoogeveen, maar hier is geen plek meer.” Ik kijk de man aan. “Jouw moeder heeft ons opgebeld met niet zo’n leuk bericht, dus wij denken dat een opname voor nu even beter is voor jou.” Ik kan alleen maar denken aan messen en aan de rare kleur gordijnen die in de kamer hangen. “We wachten nu even op de ambulance die jou naar Emmen gaat brengen.” De man brengt mij naar de wachtkamer waar mijn moeder al zit. “Wat een gedoe hè…” Ik lig tegen mijn moeder aan die haar hand door mijn haar haalt. “Ik rijd met je mee. Alles komt goed.”

“Mevrouw Staal?” Een ambulancebroeder komt naar mij toe gelopen en geeft me een stevige hand. Ik loop achter hem aan richting de ambulance en mag plaatsnemen op de brandcard achterin. Ik voel mij moe en verdrietig, maar tranen zijn er niet. Ik denk, voor een “gezond” brein, de meest verschrikkelijke dingen. Hulp is onderweg, aan die gedachte houd ik mij vast. “Wanneer ben je geboren?” Ik kijk naar voren waar de ambulancebroeder een formulier invult. Om hem heen staan allerlei apparaten, apparaten die ik altijd in Trauma Centrum zie. “20 juni 1995”, zeg ik en ik leg mijn hoofd weer neer. Naast het felle licht dat boven mij brandt, krijg ik niet veel van de reis mee. De rit heeft ongeveer drie kwartier geduurd, wanneer we aankomen bij het Scheper Ziekenhuis in Emmen. De ambulancebroeder opent de deur en ik word opgewacht door een verpleegster. “Dag Cassedey, ik ben Lisa en ik ben hier verpleegkundige. Ik heb nachtdienst, dus vannacht blijf ik bij je.” “Ik heb geen pyjama mee.” “Die hebben wij hier voor je.” Ik loop samen met mijn moeder en een kennis mee naar binnen. Ik zie een grote lege gang met hier en daar een paar deuren. “Dit is de badkamer”, vertelt Lisa terwijl ze de deur van het slot haalt. “Vannacht is die alleen van jou, want jij slaapt niet op de afdeling zelf. De deur mag je niet op slot doen. Er hangen camera’s, maar daar kijken we alleen naar als je langer dan 5 minuten weg bent. Dan laat ik je nu je kamer zien.” Lisa doet de deur achter haar dicht en opent de deur tegenover de badkamer. In deze kamer ligt een matras en een bakje om in te plassen. Mijn moeder schrikt van de kamer, ik voel niks.

“Over een paar dagen gaat iemand met ontslag en dan kun jij op die kamer, maar voor nu moet je hier even blijven.” In de inrichting noemen ze het de separeerkamer, in de gevangenis een isolatiecel. Op het matras zijn krassen te zien. Niet iedereen is in dezelfde toestand als ik naar deze kamer gebracht. Het zou me moeten afschrikken, maar ik ben kapot. Mentaal en fysiek. Ik krijg een tandenborstel en pyjama van Lisa. Ik loop naar de badkamer. We hebben een deal gemaakt: als ik naar de wc ga, laat ik de deur open. De andere patiënten kunnen hier niet komen, omdat de gang naar de separeer alleen toegankelijk is voor personeel. De badkamer is groot. Rechts van mij staat een wastafel en links van mij een douche waar ook gehandicapten in zouden kunnen douchen. Het is best donker in de badkamer, dus ik ben blij dat de deur openstaat. Minder blij ben ik met het feit dat hier camera’s hangen, maar dan gebruik ik gewoon de wc die de rest ook gebruikt. Ik doe de deur achter mij dicht en loop naar de kamer waar mijn moeder met de verpleging praat. Ik ga op het matras liggen en sluit mijn ogen. In de verte hoor ik nog wat gepraat maar ik ben te moe om te luisteren naar wat er nog gezegd wordt. De stemmen verdwijnen in de verte, ik voel mijn lichaam slap worden en mijn ogen worden zwaarder en zwaarder.

“Goedemorgen Cassedey.” In de deuropening staat een vrouw. “Ik ben Lotte, ik ben hier psychiatrisch verpleegkundige. Hoe heb je geslapen?” “Ik heb wel goed geslapen.” Ik kijk om mij heen. Waar ben ik? “We gaan zo ontbijten, eet je met ons mee?” Boven mij zie ik een raam dat voor wat licht in de kamer zorgt. “Dan zal ik je aan iedereen voorstellen en nemen we even de dag met je door.” Ik knik. “Ga je maar even rustig aankleden. Oh en voor ik het vergeet, je moet zo even langs het kantoortje om te vragen wanneer je je medicatie moet innemen, of heb je daar nog geen afspraken over gemaakt?” Ik schud nee. “Oké dan ga ik dat zo even overleggen.” Ik kijk op, lach en knik. Links voor mij ligt een stapel met kleren die ik gisteravond blijkbaar nog wel heb uitgetrokken. Ik kleed mij om en loop naar de badkamer. Vaag herinner ik mij het felle licht nog. De grote deur moet ik openlaten, maar omdat ik niet weet wanneer de verpleging terugkomt doe ik deze op een kiertje. Ik poets mijn tanden en ik was mijn gezicht. Wanneer ik in de spiegel kijk, zie ik een vermoeid meisje met wallen onder haar ogen en een ingevallen gezicht. Haar ogen stralen niks uit. Geen emotie, geen leven. “Cassedey?” Er wordt op de deur van de badkamer geklopt. “Ga je mee ontbijten?” Ik doe de deur open en loop achter Lotte aan.

“Komt mama vandaag ook?” “Dat denk ik wel! Ik zal zo even in de overdracht kijken. Oh en na het ontbijt moet je langs het kantoortje trouwens, weet je nog waar dat zit?” De enige plek waar wij niet mogen komen, kan niet missen. “Ga hier maar zitten.” We lopen de woonkamer binnen die voor een deel wordt gevuld met een bedekte eettafel. Om de eettafel zit een groep mensen die mij allemaal in hen opnemen. De één scant wat opvallender dan de ander. “Dit is Cassedey, zij is sinds gisteravond hier.” De meesten kijken op, sommigen kijken nog heel verlaten naar het bord dat voor hen staat. “Je mag hier wel komen zitten!” Een beetje rossige jongen met een vrolijke uitdrukking op zijn gezicht wijst naar de stoel naast hem. Ik knik en ga naast hem zitten. “Hadden we straks nou PMT?” Een echo van zuchten luidt door de woonkamer. “Oh wat háát ik dat”, zegt een vrouw tegenover ons. “Ik weet niet of ik mee kan doen met mijn rug, hoor”, zegt een andere vrouw bezorgd. Wanneer de rust weer is wedergekeerd, vraag ik aan de jongen naast mij wat ‘PMT’ is. “Psychomotorische therapie! Gewoon gym.” Oh God. Ik vind gym helemaal niet leuk, nooit gevonden. “Misschien gaan we weer voetballen, jongens!” “Oh ik hoop het niet zeg!” “Ga eerst maar even eten jongens, dan nemen we daarna de dag door en wie wel of niet naar PMT gaat.” Veel krijg ik niet door mijn keel, dus ik houd het bij een broodje met een plakje kaas. Ik lust geen melk en yogi, dus drinken hoef ik niet. Tijdens het ontbijt hebben we het over PMT, de dagopening en wat er vanavond op tv komt. “Gaan we nog naar de winkel?”, vraagt de jongen naast mij. “Kan”, zegt één van de verpleegsters. Is dat geen verboden terrein voor ons? We zitten op de gesloten afdeling, ik neem aan dat hier addertjes onder het gras zitten.

Wanneer iedereen zijn ontbijt op heeft, ruimen we samen af. Ik zet alle borden op het aanrecht en de vrouw met de zere rug ruimt de vaatwasser in. “We hebben wel een schema met wie wanneer wat doet, daar zetten we jou ook wel even op.” Heel schoolkamp-achtig, corvee. Ik schoffel naar het kantoortje en zie daar weer een paar nieuwe gezichten. “Hoi! Kan ik jou ergens mee helpen?” “Ja ik kom voor m’n medicatie.” “Wat is je naam?” “Cassedey” “Oké die heb ik… hier! Lorazepam, klopt dat?” “Ik heb geen idee eigenlijk.” “Verwarrend hè, al die namen. Ik lees hier dat je nu deze mag gaan proberen, ik pak even wat water voor je.” In mijn hand ligt een klein pilletje dat een grote invloed heeft op mijn stemming. “Je medicatie slik je hier, zodat wij zeker weten dat je het inneemt.” Vandaar. “Ik ga ook een bakje voor jou maken met daarin voor iedere dag een pilletje, handig hè.” Ik knik terwijl ik mijn pilletje inneem. “Zo, dat was hem al weer. Vanavond moet je hier weer komen na het eten, dan krijg je je slaapmedicatie.” Ik geef hem het bekertje terug. “Tot vanavond dan.” Ik draai me weer om en slof naar mijn cel. De separeer. Ik ga liggen op mijn matras en langzaamaan zak ik dieper en dieper weg.

“Cassedey?” Ik open mijn ogen en zie een silhouette in de deuropening staan. “Hoe gaat het nu met je?” “Ik voel me heel moe. Komt mama vandaag ook?” “Ja, daar hebben wij contact mee gehad. Zij komt hier straks heen met je zus. In principe mag dit alleen tijdens bezoekuren, maar we maken nu even een uitzondering. Je mag alleen niet in de huiskamer zitten.” Ik knik. Ergens voel ik opluchting, want ik voel me ondanks alle mensen hier toch best eenzaam. “Zie je het zitten om straks even te kijken bij PMT?” “Mag ik ook slapen?” “Ja hoor, dat is ook prima. Doe maar wat goed voelt voor jou. Zal ik je wakker maken als je moeder en je zus er zijn?” Er verschijnt een halve lach op mijn gezicht. “Ja dat is wel goed.” Lotte lacht naar mij, ze doet de deur langzaam achter haar dicht en ik val weer in slaap.

“Goedemorgen.” Ik open mijn ogen en zie mijn moeder en mijn zus voor mij staan. “Hoe heb je geslapen?”, vraagt mama terwijl haar ogen op het matras vallen. “Ik laat jullie wel even alleen”, zegt Lotte. “Hoe voel je je?”, vraagt mijn zus. “Wanneer mag ik naar huis?” Mijn zus kijkt naar mijn moeder, die kijkt als een arts die slecht nieuws moet komen brengen. “Cassedey, je moet hier eerst nog even blijven. Je moet tot rust komen nu, je mag gaan wanneer ze hier denken dat jij eraan toe bent.” “Ik wil echt weg, mama.” “Dat weet ik lieverd maar voor nu is dit beter, geloof ons maar.” “Heb je wel goed geslapen? Lotte vertelde dat we wel wat spulletjes mochten meenemen de volgende keer om deze kamer wat gezelliger te maken. We hebben thuis die laktafeltjes staan!” Ik kijk naar de ruimte om mij heen. De witte muren, de blauwe vloer en het plasbakje dat nog steeds in de hoek staat. “Ik blijf hier niet zo lang, hoor.” “Nee wanneer er een kamer vrijkomt dan…“ “Ik bedoel hier, hier. In de kliniek”, onderbreek ik mijn moeder. “Dat weten ze hier het beste.” Wat een hekel heb ik aan die zin. Ik hoor hier niet te zijn. Ik hoor op school te zitten, ik zou nu geschiedenis hebben. “Hoe ziet je dag er eigenlijk uit?”, onderbreekt mijn zus mijn gedachten. “Geen idee. Ik heb straks psycho… motoriek-motorische therapie?” “Daar hoef je niet heen, zei Lotte tegen ons”, zegt mijn zus, wetende dat ik niet zo’n sportfanaat ben. “Ik kijk nog wel even”, antwoord ik, terwijl ik met mijn vinger rondjes teken op mijn deken. Ik voel de tranen over mijn wangen stromen en een voor een vallen ze op het deken. Mijn zus komt naast mij zitten en ik weet dat ze me iets wil zeggen, maar dat ook zij nu stilvalt. Ze geeft me een knuffel en ik voel haar schokken. Ik wil haar zeggen dat alles goedkomt maar ik weet niet of dat wel zo is. De verpleging zei dat dit een stap in de goede richting is, waarom voelt het dan alsof ik juist alleen maar verder achteruit ga? Mag ik hier pas weer weg als ik mij goed voel? Ga ik mij überhaupt ooit weer goed voelen? Het liefst wil ik helemaal niets meer voelen. Ik wil rust.

Ik wil rust

29 juni 2018

Cassedey Staal

Van mijn psychose weet ik zelf niks meer, dus mijn moeder heeft dit verhaal verteld.

Met dank aan:
Jos Gelmers
GGZ Drenthe
Daniël Steensma
Lisenka Oosterveen
Karlijn Prot

Eén gedachte over “Ik wil rust”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *