Kamp Lunetten, het laatste levende monument

Reis Scheepsnaam Aankomst
1 Kota Inten Rotterdam, 21 maart 1951
2 Atlantis Rotterdam, 23 maart 1951
3 Roma Rotterdam, 8 april 1951
4 Castelbianco Rotterdam, 24 april 1951
5 New Australia Amsterdam, 29 april 1951
6 Grote Beer Amsterdam, 6 mei 1951
7 Skaubryn Rotterdam, 10 mei 1951
8 Somersetshire Amsterdam, 16 mei 1951
9 Asturias Amsterdam, 17 mei 1951
10 Fairsea Rotterdam, 5 juni 1951
11 Goya Rotterdam, 15 juni 1951
12 Kota Inten Rotterdam, 21 juni 1951

Het is donderdag 17 mei 1951 als de 4-jarige Louise Parihala - Hehanussa met het schip de Asturias aanmeert in de Amsterdamse haven. Haar vader was KNIL-militair (Koninklijk Nederlands Indisch Leger). De militairen werden op de boot, onderweg naar Nederland, ontslagen door middel van een ontslagbrief. De Molukkers zouden zes maanden in Nederland blijven en wanneer mogelijk was zouden ze terugkeren naar hun geboorteland, maar dit is nooit gebeurd. Het was onmogelijk voor de ex-KNIL-militairen om terug te keren. Dan zouden ze opgepakt worden, omdat ze vochten voor de onafhankelijkheid tegen Indonesië onder leiding van de Nederlandse Staat.

In totaal zijn er 12.500 KNIL-militairen met hun gezinnen naar Nederland gebracht. Louise groeit op in Lunetten, bij kamp Vught. Waar ongeveer 4.000 andere Molukkers met hun gezinnen wonen.

In de eerste jaren werden de Molukkers onderhouden door de Nederlandse Staat. De Molukkers mochten bijvoorbeeld niet koken en niet werken. "Vroeger kregen we maar drie gulden per gezin per week. Mijn vader is toen stiekem gaan werken bij de boer in Zaltbommel. Daar ging hij elke dag naartoe op zijn fiets (ongeveer 26 km). Ik vond dat zielig, maar zo kwamen wij wel rond," zegt Louise. In 1956 stopte de Nederlandse regering met de verzorging en werd de 'Zelfzorgregeling' ingevoerd. Veel Molukkers waren het hier niet mee eens. Zij vonden juist dat de Nederlandse Staat verantwoordelijk was voor hun situatie, omdat zij hen naar Nederland hadden gebracht. Het protest van de Molukkers was vooral een politiek statement; de Molukkers kookten al lang zelf en velen hadden werk gevonden.

De ouders van Louise vonden het prima om in het kamp te wonen. "De kamers waren ongeveer drie bij vijf, erg klein dus. Mijn moeder hing een gordijn op om het woon- en slaapgedeelte te scheiden."

Een tijdje later konden de mensen verhuizen en gingen in een wijk wonen. "Maar mijn ouders bleven hier tot het eind," zegt Louise. Louise heeft het gevoel dat haar ouders het kunnen hebben accepteren. Zij hebben nooit gepraat over dat ze terug wilden gaan. "Misschien was dat ook voor de toekomst voor ons, de kinderen." Haar ouders wilden in het begin niet eens op vakantie, omdat haar vader daar geen behoefte meer aan had: hij had veel van Indonesië gezien.

Louise vertelt dat haar ouders vanuit Nederland de familie daar kon ondersteunen. "Mijn ouders hadden het idee dat zij op die manier de familie konden helpen. Als je hier in Nederland blijft, kun je delen. Zij vonden dat niet erg."

Laatste overgebleven Barak Lunetten, nu De barakken in Lunetten, toen © Museum Maluku

Louise woont nog steeds in Lunetten, samen met haar man, in een Moluks wijkje dat nog altijd is ingeklemd tussen de gevangenis en een militair oefenterrein. Daar wonen ongeveer zo'n 300 andere Molukse Nederlanders. Ze werkt als vrijwilliger bij Nationaal Monument Kamp Vught, waar Barak 1B ook bij hoort. Daar geeft ze voornamelijk rondleidingen. "Ik vertel daar vaak over de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en het voormalig concentratiekamp. Maar wij hebben hier ook een geschiedenis, wij zijn hier opgegroeid", vertelt Louise. "Daar schrikken dan de meeste mensen wel van."

De Molukkers die in het kamp woonden hadden veel gemeen met de Joden. "Zo moesten wij ons wassen bij dezelfde wasbakken en slapen op jutezakken gevuld met stro. Maar onze moeders wikkelden daar sarong's omheen, zodat wij geen last hadden van het stro dat er uit stak," zegt Louise. "Ook stond er een gasoven bij ons in het kamp. Wij, als meisjes durfden er niet in te klimmen. Maar ik durf te wedden dat sommige jongens dat wel deden. Gewoon om er in te kijken en om in te spelen. Wij hadden vroeger helemaal niet het besef dat daar mensen in werden verbrand."

De Molukkers in Lunetten wonen tegen de beruchtste gevangenis van Nederland aan. "De gevangenis heeft een stukje van ons gestolen. Als je er bij stilstaat is het bizar," vertelt Louise. Ondanks dat het een oud concentratiekamp was voor de Joden en het tegen de gevangenis aan ligt, heeft Louise zich nog niet echt gevangen gevoeld. "Vroeger was dat wel anders. Ik heb een fijne jeugd gehad in het kamp. Maar toen ervoer ik wel dat je opgesloten zat in het kamp. Je mocht geen contact opzoeken met de buitenwereld, omdat we na zes maanden toch weer terug zouden keren. Het kamp was zoals het was: het was omringd met prikkeldraad, wachttorens en een hefboom. De voormalige gevangenen waren opgesloten, maar wij toen des tijds net zo goed. Je moest via het portier schriftelijk bewijs hebben om er in- en uit te mogen."

"Kamp Lunetten: daar waar de mensen wonen, maar ook waar het Nationaal Monument van de Joden en de grootste, beruchtste gevangenis van Nederland gevestigd is."

—Louise Parihala - Hehanussa

In het kamp gebeurde er veel. "Vroeger mochten mijn Nederlandse vriendjes en vriendinnetjes nooit in het kamp komen van hun ouders, dan kwamen ze stiekem," vertelt Louise.

's Avonds zochten vooral de oudere mannen elkaar op in de kantine. Ze speelden er domino of kaart. Soms was het er rumoerig, soms ook muisstil, als hoge bedragen de inzet waren. Er was geen vaste sluitingstijd. De kantine was ook de perfecte plek voor een feestje. "Je had hier eigenlijk alles: de Christelijke Ambonezenschool met ongeveer 400 tot 500 leerlingen, het voortgezetonderwijs, een kerk en ziekenhuis."

Ook waren er Ambon-avonden in de kantine van Lunetten. Bands en artiesten traden daar op. "Mijn vader ging niet naar Ambon-avonden. In het begin gingen we wel allemaal. Als er een Ambon-avond was, dan vroeg ik aan mijn vader: 'Pa, mag ik daar naartoe?' En dan vroeg hij: 'Is het voor de strijd? Is het voor de Molukse zaak?' En als dat zo was, dan mocht ik gaan."

De Ambon-avonden in de kantine

1950: De RMS (Republik Maluku Selatan) wordt opgericht

In de jaren 1952-1954 kwam het in Lunetten enkele malen tot gewelddadige botsingen tussen aanhangers van verschillende partijen (CRAMS en BPRMS). Op 10 december 1952 waren meer dan 200 politiemannen en marechaussees nodig om de orde te herstellen. Huiszoekingen leverden allerlei slag- en steekwapens op, die kennelijk onopgemerkt waren gebleven toen de bagage bij aankomst werd gecontroleerd.

"Mijn ouders hadden niets met politiek te maken, ze wouden zich daar niet mee bemoeien. Waarschijnlijk hadden ze daar geen behoefte aan. Ze dachten: laat het maar zoals het is, we zien het allemaal wel. De eerste generatie wist toen ze hier aankwamen dat de RMS werd uitgeroepen," vertelt Louise. "Je had de BPRMS, die vochten voor een vrij Maluku, Bond Ex-KNIL-Militairen en CRAMPS. Mijn vader zat bij BPRMS. Ze vechten het daarboven wel uit. Mijn ouders waren wel boos, daarom sloten ze zich bij de partij waar ze het meeste vertrouwen in hadden."

De BPRMS was de grootste partij, onder leiding van president Manusama en dominee Metiary. Zij probeerden de RMS te verkondingen.

De RMS-vlag symboliseert het ideaal van een Vrije Molukse republiek. De vlag staat voor onderlinge verbondenheid, voor hoop en geloof in een betere toekomst. Sinds de jaren negentig gebruiken Molukse jongeren de RMS-kleuren oom om te laten weten dat ze Molukker zijn.

"RMS dag hier in Lunetten, was als kind zijnde indrukwekkend om mee te maken. Je leefde er naartoe. Iedereen ging naar Den Haag toe. Alle moeders gingen koken. Na het hijsen van de vlag, stonden er misschien wel vijftig bussen klaar. Als je naam werd geroepen kon je de bus in, met pannen en eten. Eigenlijk was het een soort van feestdag."

De RMS bestaat nog steeds, maar is in Indonesië verboden. In Nederland wordt er ieder jaar op 25 april de vlag om zes uur 's ochtends gehesen. Dit is de dag waarop de Molukse republiek tevergeefs de onafhankelijkheid van Indonesië uitriep.

In Den Haag, klaar voor de demonstratie © Museum Maluku

In de jaren '80 probeerde de Staat door slecht onderhoud en rechtszaken de bewoners van Lunetten tot verhuizen te dwingen. Die verzetten zich onder leiding van de nieuwe jonge kampraadvoorzitter Ton Latuhihin. De Kampraad beriep zich niet langer alleen op de oude KNIL-rechten, maar ook op de huurberscherming.

"Veel mensen vroegen vaak: 'Waarom wonen jullie niet in een Nederlandse wijk? Waarom hebben jullie gevochten om op Lunetten te blijven?' De Nederlanders hebben ons hier naartoe gehaald. Onze ouders hebben hier tig jaren gewoond en beschouwen dit als klein vaderlandje," zegt Louise met trots.

Op 14 oktober 1989 bereikten vertegenwoordigers van het Rijk, van de gemeente Vught en van Woonoord Lunetten een akkoord. Lunetten zou verkleind en gerenoveerd worden. Nadien zouden normale huurverhoudingen van kracht zijn.

  • De Molukkers waren formeel Indonesiër. Daarna waren ze staatloos. Ze hadden een vreemdelingenpas.

"Dit moet een monument blijven, hier wordt Nederland er aan herinnerd wat ze met ons hebben aan gedaan. Lunetten is een levend monument. Het enige kamp dat nog levend is."

—Louise Parihala - Hehanussa

___________________________________________________

Met dank aan:
Louise Parihala
Nationaal Monument Kamp Vught
Barak 1B
Nationaal Museum Maluku
___________________________________________________

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *